Column: Selecte Visie
Guido van Woerkom
‘JE MOET NIET SEMI-DWINGEND WILLEN STUREN’

‘De functie van voorzitter van de Raad van Toezicht van GGZ Rivierduinen stond niet direct op mijn wensenlijst. Ik ben weliswaar altijd actief geweest in maatschappelijke sectoren als het onderwijs en woningcorporaties, maar de gezondheidszorg heb ik een beetje gemeden: het was me te ingewikkeld. Dus toen ik door Diemen & Van Gestel werd gepolst, heb ik er goed over moeten nadenken of ik dit zou moeten willen. Uiteindelijk ben ik er met volle overtuiging ingestapt. Ik realiseer me dat de GGZ-sector voor grote opgaven staat. De maatschappelijke bereidheid om de geestelijke gezondheidszorg te financieren is afgenomen. GGZ Rivierduinen is de afgelopen jaren erg gericht geweest op het verwerken van alle bezuinigingen. Het “lek” is nog niet gedicht, maar het gaat de goede kant uit. Nu is het tijd om weer naar de toekomst te kijken. Hoe kan het vak zich verder ontwikkelen? Wat verwachten stakeholders als gemeenten, zorgverzekeraars en financiers van ons? In mijn inwerkperiode heb ik met zo’n twintig mensen gesproken die in- en extern van belang zijn voor de continuïteit van de organisatie. Zo kreeg ik goed zicht op wat er speelt én hoorde en merkte ik dat niet iedereen op dezelfde manier naar onze toekomst kijkt. Daar zullen we als Raad van Toezicht dus samen met het bestuur keuzes in moeten maken. Ik wil daar een stimulerende rol in spelen, temeer omdat Rivierduinen in mijn woonplaats Leiden is gevestigd en ik hier graag iets wil bijdragen aan de samenleving.’

Tandje scherper
‘Als directeur bij de ANWB en daarvoor in andere bedrijven ben ik zo’n vijfentwintig jaar eindverantwoordelijk geweest. Dan heb je het allemaal wel gedaan en is mijn honger op dit gebied wel gestild. Nu voel ik me juist prettig in de rol van commissaris en toezichthouder. Het is uiteraard een heel andere positie. Als toezichthouder moet je inspireren, controleren, lijnen bewaken en ervoor zorgen dat het management goed is, dus soms moet je afscheid van elkaar nemen en nieuwe mensen benoemen. Samenvattend stel je vooral vragen. Als bestuurder geef je inhoud aan de opgave, moet je dingen waarmaken en hands on sturen: je geeft vooral antwoorden. In mijn laatste jaren bij de ANWB kon ik beide rollen op een prettige manier combineren. Als bestuurder zag ik hoe de toezichthouders naar mij keken en vanuit mijn toezichthoudende rollen kon ik naar bestuurders van andere organisaties kijken. Dat ervaar ik als een voordeel nu ik in mijn rol als voorzitter de draaischijf probeer te zijn tussen bestuur en toezichthouders. Daarbij vind ik het erg belangrijk dat de ‘hygiènefactoren’ rondom toezicht in orde zijn. Ik let erop dat alle commissies in redelijke zelfstandigheid hun werk kunnen doen en goede voorzitters hebben. Ook de relatie met de ondernemingsraad vraagt aandacht. Als bestuur en ondernemingsraad vijandig tegenover elkaar staan, moet je daar een oplossing voor vinden. Voor de Raad van Toezicht vind ik professionele secretariële ondersteuning en een uitstekende verslaglegging belangrijk. Dat is niet altijd het geval. Soms krijg je dan te horen ‘dat men het altijd al zo deed’. Dat vind ik geen argument, want waarom zou het niet een tandje scherper kunnen? Op dit soort zaken ben ik alert, want daarmee creëer je de basis om je werk goed te doen. Van daaruit kun je verder bouwen aan de relatie met het bestuur. Mijn basishouding daarbij is vertrouwen. Als dat er niet is, moet je niet met elkaar door willen gaan. Vertrouwen vereist wel dat je er hard aan werkt en erop controleert. Niet vanuit wantrouwen, maar omdat het onderdeel is van het vak.

Concreet betekent het: veel met mensen praten, niet te hard ingrijpen als het niet nodig is maar wel richting aangeven en voorzichtig verbeteren. Als er gezegd wordt dat het goed komt, ben ik niet het type dat daar meteen aan twijfelt. Als een bestuur in het verleden heeft laten zien dat het iets kan, vertrouw ik er in eerste instantie op dat de onderhavige casus ook wordt opgelost. Pas bij gerede twijfel en na de nodige begeleiding – waarbij je heel helder maakt welke vorm en richting het op zou moeten gaan – kom je in de fase van uit elkaar gaan.’

Meer betrokkenheid
‘Als toezichthouder ben ik actief in meerdere sectoren. Het is mijn persoonlijke keuze om niet helemaal in één sector te duiken en daar mijn loopbaan in door te brengen. Ik vind het voor de organisaties en voor mezelf van toegevoegde waarde om best practices én fouten van de ene sector mee te nemen naar de andere. Mijn bestuurlijke ervaring is daarbij een goede basis. Zonder die ervaring kun je denk ik geen goede toezichthouder zijn. Je bent dan toch sneller geneigd operationeel bezig te zijn. Ik zie in de praktijk met name bij jonge commissarissen dat ze sterk in de adviesrol kruipen, terwijl je daar toch echt mee moet oppassen. Er zit wel een adviescomponent in ons werk, maar als toezichthouder moet je toch vooral stimuleren dat men zelf op zoek gaat naar andere mogelijkheden in plaats van semi-dwingend te sturen. Als je daar moeite mee hebt, kun je je goedbedoelde adviezen beter bij een adviesbureau te gelde maken. Natuurlijk is er een roep om jonge commissarissen en het is goed en fijn dat mensen in die rol zijn geïnteresseerd, maar ik geloof toch in een zekere senioriteit. Op z’n minst zou ik jongeren adviseren om eerst een relevante opleiding te volgen. Er zijn meerdere goede opleidingen in Nederland die een goed beeld geven van wat de samenleving verwacht van de toezichthoudende rol. Door het volgen van zo’n cursus geef je in elk geval blijk van commitment: een belangrijk criterium in selectieprocedures. Toch is het zelfs dan voor jonge toezichthouders lastig om hun werk goed te doen. Ik zie vaak dat ze in tijdnood komen. Ze zitten nog volop in de opbouw van hun carrière en dat eist veel van ze. Hun beschikbaarheid als toezichthouder kan daardoor onder druk komen te staan. Ik heb onlangs afscheid genomen als voorzitter van de Raad van Toezicht van de Hotelschool Den Haag omdat mijn termijn erop zat. In het begin kwamen we twee keer per jaar bij elkaar. Inmiddels zagen we elkaar zes keer, met veel betere stukken, veel betere kennis van de organisatie en een veel betere financiële verslaggeving.
De betrokkenheid van toezichthouders bij het wel en wee van ‘hun’ organisatie is de afgelopen jaren enorm toegenomen, net als de professionalisering van het vak. De reden is duidelijk. Zowel in het bedrijfsleven als in maatschappelijke sectoren zijn fouten gemaakt die breed zijn uitgesponnen. Van fouten leer je het meest. Ook als je ze zelf niet hebt gemaakt, wil je niet dat het je overkomt en zet je dus automatisch een tandje bij. Daarnaast heeft de regulering ten aanzien van het aantal commissariaten duidelijk gemaakt dat ook de samenleving hoge eisen stelt. Ik vind dat een goede ontwikkeling, want het maakt ons werk veel interessanter. Omdat je er veel meer in zit en alle processen beter begrijpt, zijn je advisering en je keuzes ten aanzien van het management veel dieper gefundeerd.’

Guido van Woerkom (1955) is sinds 1 juli 2017 voorzitter van de Raad van Toezicht van GGZ Rivierduinen. Tussen 1999 en 2014 was hij hoofddirecteur van de ANWB. Hij is lid van de Sociaal Economische Raad en zit in het Dagelijks Bestuur van VNO-NCW. Ook vervult hij diverse nevenfuncties, zoals voorzitter van het bestuur van Detailhandel Nederland, voorzitter van de Raad van Commissarissen bij woningcorporatie Ymere en bij de regionale ontwikkelingsmaatschappij Oost N.L., evenals voorzitter van de Vereniging van Toezichthouders in Woningcorporaties VTW.

Emely Nobis heeft ruim vijfentwintig jaar ervaring als journalist en bladenmaker. Ze werkte onder andere als hoofdredacteur van het managementblad voor vrouwen Avanta Magazine, als redactiechef bij het maandblad Opzij en als coördinator/chef redactie bij Avrobode en Kunst & Cultuur Magazine van Avrotros. Als journalist ligt haar interesse met name bij het schrijven over onderwerpen op het snijvlak mens, werk en diversiteit. Dat deed ze voor zowel Opzij als Avanta als in de door haar ontwikkelde rubriek Mens & Werk in Het Financieele Dagblad. Ook schreef ze het boek ‘Ondernemende vrouwen: Ambivalentie in de carrières van vijftien Nijenrode vrouwen’ en leverde ze bijdragen aan het Handboek Management.